Preken Compilaties Artikelen

Ben jij een farizeeër?

Deze vraag had je misschien niet verwacht. En misschien denk je wel direct: ‘Nee, dat ben ik niet. Dat is die en die.’ Als je dat denkt, dan ben ik bang dat je het wel bent, want een oprecht kind van God denkt bij deze vraag: ‘Ben ik het, Heere?’ (Mat. 26:22). Maar hoe het ook zij en wie je ook bent, het is verstandig dat je verder leest. Het gaat namelijk om zaken van levensbelang. En wie zou dan niet verder lezen? 
Weet wel: voordat je gaat lezen: het kan wel eens hard aan komen. Het is mogelijk dat het je diep ontdekt wordt. Het is namelijk een zeer scherp woord. 
De bijl (Bijbel) wordt aan de wortel gelegd (Mat. 3:10) Je kunt dit stukje zonder veel moeite wegklikken, maar weet wel dat je ten diepste Gods Woord opzij legt. Kijk maar eens goed: je ziet dat er veel bijbeltekstverwijzingen bij staan. 

Ik weet niet of je de Bijbel goed kent, maar als je de vier Evangeliën doorleest, valt één ding duidelijk op. De Zoon van God was regelmatig in gesprek met de Farizeeërs en Schriftgeleerden. Nog opvallender is dat Hij ze onomwonden vertelde dat ze huichelaars zijn (Mat. 16:5-12, 23, Luk. 11:39-54) ). Hij spaarde ze niet (Mat. 15:4). Hij zei hun in het openbaar het oordeel aan. Dat is nogal wat. 
Voor de ergste zondaren had Christus altijd een woord en Hij hield de deur voor hen open. Maar het eerste wat we in de Bijbel lezen over de Farizeeën is dat ze worden aangesproken als adderengebroedsels (duivelskinderen). We zullen daarom eens met de Bijbel ernaast (want daar moet u alles aan toetsen) kijken wat een farizeeër is.

Een farizeeër:
- brengt geen vruchten van bekering voort (Mat. 3:8)
- is thuis in de Bijbel (Mat. 2: 4-6, Luk. 10:27, Joh. 8:5)
- beroept zich op de ‘ouden’ (wij zouden zeggen: op oudvaders) (Mat. 3:9, 15:2, Mark. 7:3c)
- houdt van discussiëren en twisten (Mat. 5:29, Mat. 12: 19a, Mark. 8:11, 9:14,16, Luk. 11:53,54, Luk. 17:20, Luk. 20:23, Joh. 8:6) 
- houdt zich sterk bezig met inzettingen, tradities en geboden van mensen (Mat. 15:9)
- nadert tot God met de lippen, maar houdt zijn hart verre van God (Mat. 15:8, Mark. 3:5, Luk. 7:30, 16:16)
- ergert zich aan de boodschap van Christus (Mat. 15:12, 21:45,46, Luk. 16:14, Joh. 6:41)
- heeft een hard hart (Mark. 3:5)
- is blind en leid daardoor andere in een gracht (Mat. 15:14, 23:13)
- heeft een hekel aan Jezus Christus (Mat. 16:21, 20:18, 21:33-46, 26:4, 27:41) 
- maakt dienstknechten van God monddood (Mat. 21:35, 23:37)
- begeert een teken of bijzondere openbaring van God (Mat. 12:38, 16:1,4, Mark. 8:11)
- denkt dat hij beter is dan een ander (Mat. 9:14, Luk. 15:30, 18:11, 19:38, Joh. 7:49)
- let veel op een ander om te kijken of hij/zij iets fout doet (Mat. 9: 11, 12: 2, 15:2, 21:15,16)
- maakt zich meer druk over een ander dan over zichzelf (Mat. 12:2, 15:2)
- houdt zich meer bezig met de wet dan met het Evangelie (de vergeving van zonde) (Mat 12: 9-21, Joh. 9)
- maakt het werk van God verdacht (Mat. 12: 24, 21: 15,16)
- heeft een hekel aan een vrijmoedig getuigenis van een volgeling van Jezus (Joh. 9:28, 12:42, Hand. 6:12, 7:54, 9:1)
- stelt veel vragen vanuit het ongeloof (Mat. 15: 2, 19:3, 7, 22:15, Mark. 2:24, 11:28, Luk. 10:25, 17:20)
- vindt het verdacht als iemands zonden vergeven worden (Mat. 9: 3,4, Mark. 2:7)
- weet het beter dan God (Mat. 9:3, 26:65, Mark. 2:7, Mark. 2:30, Luk. 7:49, Joh. 7:15, 8:13, Joh. 10:33)
- denkt verkeerd over anderen en hoog van zichzelf (Mat. 9:4, Luk, 15:2, 16:15b)
- denkt dat het Evangelie is voor mensen met een bepaalde kwalificatie en niet voor zondaren en tollenaren (Mat. 9:11, Mark. 2:16, Luk. 15:2)
- kijkt neer op andere mensen (Mark. 7:5, Luk. 15:2, 30, Luk. 7:47-49, Joh. 9:34)
- is ernstig, ijverig en godsdienstig, maar om van mensen gezien te worden of om daarmee God te behagen (Mat. 23, Luk. 18:11-14)
- is streng en hard voor anderen, maar gemakkelijk en toegeeflijk voor zichzelf (Mat. 23:3,4, Luk. 11:46)
- bedenkt honderden geboden en verboden die hij andere oplegt (Mat. 23:4, Mark. 2:23,24, Mark. 7:4,5, Luk. 18:12)
- maakt Gods Woord krachteloos door allerlei eigen bedachte inzettingen (Mark. 7:13)
- doet tradities en draagt bepaalde kleding om van de mensen gezien te worden (Mat. 23:5, Mark. 12:38)
- bemint een ereplaats in de kerk en zit graag in het voorgestoelte (Mat. 23:6, Mark. 12:39, Luk. 18:11)
- hoort graag van de mensen dat hij degelijk en godsdienstig is (Mat. 23:7)
- staat anderen in de weg om in te gaan in het Koninkrijk der hemelen (Mat. 23:14)
- bidt lang en uitvoerig, zodat andere mensen gaan denken dat ze heel vroom zijn (Mat 23:14)
- is overdreven precies in kleine dingen, maar laat het grootste, waar het op aankomt, na (Mat. 23:24, Luk. 11:42)
- maakt zich drukker om de buitenkant dan de binnenkant (Mat. 23:25)
- ziet er van de buitenkant keurig uit, maar is van binnen vol geveinsdheid (Mat. 23:27,28)
- heeft een leer, maar geen relatie (Mat. 16:12c)
- vereert bepaalde dienstknechten van God (Mat. 23:33, Luk. 11:47)
- wilt niet tot Christus komen (Mat. 23:37)
- doet of zegt dingen tegen beter weten in (Mat. 27:63, Mark. 11:33a, Luk. 14:6, Luk. 20:21, Hand. 6:13)
- is bang dat velen tot geloof in Christus komen (Mat. 11. 18, Luk. 19:48, Joh. 7:31,32, 11:48, 12:19) 
- rechtvaardigt zichzelf (Luk. 10:29, 16:15, 18:14, Joh. 9:40,41)
- legt het Woord van God op zijn eigen manier uit (Luk. 11:52a, 16:16, Joh. 3:9)
- meent door de wet zalig te worden en heeft de bekering niet nodig (Luk. 15:7c, 18:11,12, Joh. 7:49)
- beoordeelt andermans bekering (Joh. 9:15,17,26)
- wederstaat de Heilige Geest (Hand. 7:51)

Ik ga de vraag herhalen die boven aan dit stukje staat. Ben je een farizeeër? Als je zegt dat dat voor je nog niet duidelijk is dan moet je jezelf maar afvragen wat je dan wel bent. Er zijn namelijk maar twee mogelijkheden. Of je bent een kind van God of je bent een huichelaar. Gods Woord is heel confronterend over Farizeeërs:…deze zullen een zwaarder oordeel ontvangen (Luk. 20:47) want gij sluit het koninkrijk der hemelen, overmits gij daar niet ingaat, noch degenen die ingaan zouden, laat ingaan (Mat. 23:13).
‘Ja, maar’, zegt je ‘is het dan helemaal verloren voor een farizeeër zoals ik?’
Als je dat oprecht zegt, dan ben je een bekeerde farizeeër en dan is er, door Gods grote genade, nog plaats voor een huichelaar zoals jij. Paulus, misschien wel de vroomste farizeeër aller tijden, schreef: ‘Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben. Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld, dergenen, die in Hem geloven zullen ten eeuwige leven (1 Tim. 1: 14-16). De farizeeër Nicodemus kreeg van Christus te horen: Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in de Naam des eniggeboren Zoons van God (Joh. 3:18).